De tabaskplant zoals we die de dag van vandaag kennen ziet het daglicht vanaf 6000 v.Chr. op het Amerikaanse continent. Rond 1000 v.Chr. leren de mensen in de streken waar de plant voorkwam, tabak gebruiken.  Zowel rokend als kauwend en wellicht als verdovend middel.  Het goedje wordt ook gebruikt bij religieuze ceremonieën.  In hoge concentratie heeft tabak een hallucinogene werking.

De oudste afbeelding van een roker, een Maya-indiaan, dateert van 600 à 1000 n.Chr.  Bij de Maya heet roken “sik’ar”.  Een andere mogelijkheid is dat het woord sigaar is afgeleid van het Spaanse woord voor “draaien”, namelijk “girar”.

 columbus_taking_possession

In het journaal van Christoffel Columbus van 6 november 1492 vinden we een aantekening van indianen die opgerolde tabaksbladeren rookten. Op 4 november 1492 gingen Rodrigo de Jeres en Luis de Torres in Cuba aan land. De admiraal schreef na hun terugkomst aan boord: “De afgezanten hebben veel Indianen ontmoet, mannen en vrouwen. Ze hadden een klein gloeiend stuk hout in de hand en kruiden waarvan ze de rook proefden”.

In 1530 diende tabak als betaalmiddel bij de aankoop van de eerste slaven aan de Afrikaanse kusten.

In 1556 plant André Thevet de eerste tabaksplanten in Frankrijk in zijn tuin in Angoulême.

In het Antwerpse Cruydboeck (1554) verschijnt de oudst bekende afbeelding in ons land. De aanvankelijke verwondering over tabak slaat snel om in gebruik.

Jean Nicot, de Franse ambassadeur in Portugal, meent dat het product goed is tegen alle kwalen. Hij schenkt het kruid in 1559 aan Catharina de Medici, koningin van Frankrijk, om haar hoofdpijn te verzachten. Het tabakspoeder werkt… Veel later geven natuurkundigen zijn naam aan het toen ontdekte actieve bestanddeel nicotine.

Tien jaar na de ontdekking van Amerika wordt de eerste tabak gekweekt in Spanje, kort daarna in de Spaanse Nederlanden.  Almaar meer zeevaarders brengen bij hun terugkeer de rookgewoonten over.

In 1690 verscheen in Engeland een nieuw beroep: leraren onderwezen de kunst van het roken. De sigaar raakte ingeburgerd. Sigaren brachten de mensen op een idee: tabak bleek uitermate geschikt om te smokkelen. Overal schoten fabrieken als paddestoelen uit de grond. In Spanje, Groot-Brittannië, Zwitserland, België en vooral Nederland onstonden nieuwe sigarenfabrieken.

In 1762 werd in de Verenigde Staten de eerste sigarenfabriek geopend in de eurforie van de Onafhankelijkheid. De fabriek staat in Connecticut en was een intiatief van Iraël Puttman. Zodra hij terug was uit Cuba, waar hij in het Britse leger had gediend, richtte Puttman de fabriek op.

Onder druk van de Cubaanse vegueros geeft de Spaanse regie in 1799 de toestemming om in Havana de eerste fabriek te openen: Casa de Benefeciencia. De producten krijgen de naam Habanos. Het woord is geofficialiseerd door een document van de Junta de la Factoria de Tabacos en is ingeburgerd.

In 1815 start door Le Monopole, ingesteld door Napoleon, de fabricage van de eerste sigaren in Frankrijk voordat vlak daarna importcontracten worden afgesloten met de grote sigarenlanden van toen: Cuba, de Filippijnen, Brazilië en Mexico.

Op 23 juni 1817 schafte koning Ferdinand VII van Spanje per decreet het koninklijk monopolie in Cubaans bezit af. Vanaf dat moment waren de Cubanen niet alleen vrij om hun sigaren te rollen en te exporteren, maar konden ze ook hun eigen farbrieken opzettten.

In 1818 telde Cuba ongeveer 400 fabrieken, voor het merendeel kleine fabriekjes.

In 1825 word in het merkenregister van Havana wordt het eerste merk officieel ingeschreven:Hija de Cabañas y Carbajol. Vervolgens verschijnen Por Larrañga in 1834, Punch in 1840, H.Upmann in 1844, Partagas in 1845 en Romeo y Julieta in 1850

In 1861 waren er in Cuba zo een 1217 fabrieken ingeschreven, waarvan 516 in Havana. Dat aantal nam snel af toen  er industriële groepen werden opgericht.

Na de Cubaanse revolutie in de jaren ’50 gingen de meeste Cubaanse farbiekseigenaren in 1959 in ballingschap. Alleen de familie Cano, eigenaar van La Flor de Cano, bleef op het eiland.

25 april 1961, de Verenigde Staten leggen een embargo op Cuba. Paradoxaal genoeg zorgen dat besluit en de ballinschap van de fabrikanten ervoor dat de sigaar nog meer verpreid wordt over de hele wereld. De Cubaanse emigranten namen hun knowhow namelijk mee. Zij vestigden zich in Florida, in Santo Domingo, Mexico, Honduras en Jamaica.

In 1992 lanceert de Amerikaan Marvin Shanken het tijdschrift Cigar Aficionado.

In 1994 lanceert Jean-Paul Kaufmann het Franstalige kwartaalblad L’Amateur de Cigare. Daarna verschijnt de jaarlijkse uitgave  van de fijnproeversgids, die uitsluitend gewijd is aan Cubaanse producten, genaam Havanoscope.

BRON: Erfgoed Leeft 07, Le Cigar, Compleet handboek Sigaren